Sunday, September 29, 2002

TREINEN

Ze moeten overal precies op tijd verschijnen
Ze staan gehoorzaam even stil in elk station
Ze houden rekening met regels en met seinen
Ze volgen blindelings de voorgeschreven lijnen
Ze zouden gaarne salueren als het kon

Ze kennen alle vreemde landen en hun talen
Ze kennen alle vreemde mensen bovendien
En als je luistert hoor je wondere verhalen
Van romantiek en van mysteries en schandalen
Ze hebben alles wat gebeuren kan gezien

Je hoort hun verre stemmen uit het duister komen
Je ziet ze ook wel over viaducten gaan
Je kijkt ze na en voelt je even meegenomen
Ze zijn beladen met onuitgesproken dromen
En met de zorgen van het alledaags bestaan

Je ziet komen en je ziet ze weer verdwijnen
Zo onvermoeibaar en onmisbaar als de zon
De aarde wentelt en de Heer behoedt de Zijnen
Hij waakt ook de geringste Zijner treinen
Althans toch zeker wel de eersteklaswagon
SPEELGOEDMANNETJE

Toen Karel Smit zijn hondje uitliet was het kwart voor tien
’t Was donker en het regende, er was geen mens te zien
Ja, toch, er stond een mannetje dat iets onwennigs had
Dus Karel vroeg: wat zoekt u? Bent u vreemd hier in de stad?”

Ik ben een speelgoedmannetje,” zei het mannetje met een speelgoedstem
Ik ben een speelgoedmannetje,” zei het mannetje tegen hem

De zaak was gauw vergeten, maar wat later in de week
Zag hij een mannetje dat op het eerste leek
Het plukte tal van bloemen uit een openbaar plantsoen
Hij sprak het aan en zei: Meneer, dat kunt u toch niet doen!”

Ik ben een speelgoedmannetje,” zei het mannetje met een speelgoedlach
Ik ben een speelgoedmannetje en een speelgoedmannetje mag”

Die ochtend werd hij wakker van spektakel in zijn tuin
Daar sloeg zo’n zelfde mannetje het meubilair aan puin
Hij trok direct zijn broek aan, liep erheen en schreeuwde: Zeg!
Wat denk je wel? Wat doe je hier? Houd op! Vooruit! Ga weg!”

Ik ben een speelgoedmannetje,” zei het mannetje in het morgenrood
Ik ben een speelgoedmannetje” en toen kneep Karel dood

Er is hier veel veranderd sinds dat pijnlijke geval
Men ziet nu deze mannetjes altijd en overal
En elke keer als zij iets doen wat helemaal niet mag
Dan zeggen ze kalmerend met een speelgoedoogslag

Wij zijn maar speelgoedmannetjes, speelgoedmannetjes, en meer niet helaas,
Gewoon maar speelgoedmannetjes en wij nu hier de baas.”
ROMANTIEK

Ik ga u van een vreemdeling vertellen
Hij woonde ver van Gent en Amersfoort
En hield zich met een aantal metgezellen
In leven met behulp van roof en moord

Herhaaldelijk weerklonk het droeve woord
In het land van Garibaldi en Mazzini
Alweer werd mensenvlees pardoes doorboord
Door toedoen van Rinaldo Rinaldini

Dit nummer zal uw polsslag wel versnellen
Want zelden bracht de tijd zo’n monster voort
De kreten die u naar de lippen wellen
Zijn ongetwijfeld enig in hun soort

Ook landgenoten waren zeer verstoord
En mamma’s hijgden angstig tot bambini
Alweer werd mensenvlees pardoes doorboord
Door toedoen van Rinaldo Rinaldini

Al zijn er geen nauwkeurige tabellen
Ons mansgeslachtsverkeer was ongehoord
En menig meisje wist hij te ontpellen
In een of ander welgelegen oord

En ook al ging ze niet zo erg akkoord
Wij plaatsen hier discreet een interlinie

Door toedoen van Rinaldo Rinaldini

Prins Patser die oneerlijk punten scoort
Ligt thans juist gunstig in de volksopinie
Zijn wij wat dat betreft misschien ontspoord
Door toedoen van Rinaldo Rinaldini
KOKOSNOOT

Er was een tijd geleden een verdwaalde hugenoot
Die door een Hawaïaans gezin aan tafel was genood
En kennismaakte met exotisch fruit
Zo proefde hij een wonderlijke weelderige noot
Waarvan hij even opkeek maar weldegelijk genoot
Wat is dit toch voor voedsel vroeg hij aan een disgenoot
En deze legde het welwillend uit

Dit is een kokosnoot, let wel een kokosnoot
Die niet zolang geleden aan een kokospalm ontsproot
Het is mij niet bekend wie deze palm hier had gepoot
Maar hoe dan ook om kort te gaan dit is een kokosnoot

De disgenoot vervolgde in zijn sappig dialect
De kokospalm is mooi, dat ziet de vreemdeling direct
En zegenrijk op allerlei gebied
Zo is er kokosolie die ons zeer tot voordeel strekt
De lege doppen doen het prachtig als geluidseffect
En menig stukje vloer is met een kokosmat bedekt
Let voorts eens op de vrucht die u hier ziet

Het is een kokosnoot, de naam is kokosnoot
We eten deze liever dan een spiegelei met brood
Piet Hein zijn naam is klein maar hij won wel de zilvervloot
En alles loopt op klompen en dit is een kokosnoot

Zo kreeg de hugenoot een zeer gedegen onderricht
Want Hawaïaanse disgenoten zien het als hun plicht
Te zorgen dat de gast zich niet verveeld
De spreker had een bovenaardse gloed op het gezicht
En was gezegend met een onverslijtbaar kaakgewricht
De tijd verstreek en reeds verscheen een schuchter morgenlicht
Terwijl nog eens exact werd meegedeeld

Dit is een kokosnoot, een echte kokosnoot
En andere berichten zijn van alle grond ontbloot
Het kapje van Roodkapje had een kleur en die was rood
Dat zult u wel beamen, maar dit is een kokosnoot

Dit is een kokosnoot, ja heus een kokosnoot
We kennen ook de apennoot, maar die is minder groot
En Jantje wou gaan plukken schoon zijn vader het hem verbood
Het is leuk om dat te weten maar dit is een kokosnoot

Dit is een kokosnoot, voorwaar een kokosnoot
Ik zeg dit voor het geval dat u de naam wellicht ontschoot
Een mens is maar een mens, het peerd van Ome Loeks is dood
En dat gaat naar Den Bosch toe en dit is een kokosnoot

Dit is een kokosnoot, ziehier een kokosnoot
Kom neemt u maar gerust weer eens een stukje kokosnoot
En als u deze op hebt krijgt u nog een kokosnoot
Intussen zal ik u vertellen van de kokosnoot
HET LAND IS MOE

Het land is moe
De hemel grijs
De wind is koud
Zo koud als ijs
Mijn jas is dun
De kleur is vaal
De weg is lang
De boom is kaal
Mijn rug is krom
En macht is recht
De lucht is vuil
Het brood is slecht
De vloer is rot
Het dak is lek
De ruit is stuk
Het kind is gek

Lalalala
Lalalala
Lalalala
Et cetera

De muur is klam
Het licht is zwak
De hond is vals
De stoel is wrak
Het geld is krap
Het brood is slecht
Of had ik dat
Al eens gezegd?
Het oog is dof
Het bloed is rood
Het haar is grijs
Het paard is dood
Het vlees is taai
Het werk is zwaar
Het bier is duur
Het lied is klaar
HERDERSLIED

Ziehier een lieflijke vertelling
Omtrent een herder en een fluit
Wij zien de herder op een helling
Daar laat hij al zijn schaapjes uit
Ze grazen nu eens naar beneden
En dan weer grazen zij omhoog
Maar overal zijn zij tevreden
Dit was deel een van mijn betoog

Het wordt vervelend,” zegt de herder
Ik denk eens dat ik verder trek”
Helaas daar is een wegversperder
Een huizenhoog metalen hek
De herder zegt: we moeten stoppen”
De schaapjes stoppen allemaal
En blaten droevig met hun koppen
Maar ik ga door met mijn verhaal

En wat doet nu de slimme herder
Wat hij moet doen bedenkt hij vlug
Hij zegt: we kunnen hier niet verder
En daarom gaan we maar terug”
En om de schaapjes op te fleuren
Blaast hij een wijsje op zijn fluit
Dat hoort u binnenkort gebeuren
Want deze fabel is nu uit
GRAND PRIX

Wat dacht je van dit plekje? Dit plekje lijkt me fijn.
Jawel, dit plekje zal het meest geschikte plekje zijn.
Hier zit je in de schaduw en lekker uit de wind.
Zeg, stil eens even. Luister! Ik geloof dat het begint.

Vroem! Vroem! Vroem! Vroem!
Voor de prijzen en de roem.
Stuur! Stuur! Stuur!
Anders sla je een figuur.
Schakel! Schakel! Schakel! Schakel!
Elke keer weer een mirakel!
Snel! Snel! Snel!
Haal je ’t niet of haal je ’t wel?

Ik wou nog wel een broodje met ham of cervelaat.
De ham is op! O, kijk! Da’s nummer veertien die daar gaat!
En deze? Ligt ie achter? Of juist een ronde voor?
Wat is dat reuzespannend! En het gaat maar altijd door.

Gier! Gier! Gier! Gier!
Wat een rotwind staat er hier.
Draai! Draai! Draai!
Let maar niet op het lawaai.
Verder! Verder! Verder! Verder!
Want de Here is mijn herder.
Scheur! Scheur! Scheur!
Gaat de kranige chauffeur.

Hé, kijk nou toch eens even. Da’s net als in ’t begin.
Daar heb je nummer elf en vlak daarachter nummer twin
O, kijk daar nou dan toch eens even. Dat is weer nummer vijf.
Wat is dat reuzespannend! Wat een heerlijk tijdverdrijf.

Krak! Krak! Krak! Krak!
Jezus, mijn versnellingsbak!
Flits! Flits! Flits!
Even stoppen bij de pits.
Wachten! Wachten! Wachten! Wachten!
En het personeel maar jachten.
Vlug! Vlug! Vlug!
Dan weer in de baan terug.

Zeg, wil je soms een appel? Ja, graag. En ook een mes.
Die schillen zijn bespoten, dus Daar heb je nummer zes!
En dat is nummer achttien. Ligt deze nou aan kop?
Wat is dat reuzespannend! En het houdt nog lang niet op.

Zoef! Zoef! Zoef! Zoef!
Daar passeert hij mij, die boef.
Rond! Rond! Rond!
Als ik maar een gaatje vond.
Jakker! Jakker! Jakker! Jakker!
In ’t publiek, die arme stakker.
Slik! Slik! Slik!
Toch maar liever hij dan ik.

Wat vind ik in m’n oorschelp. Verdomme, ’t is een mier.
Toe! Let nou even op de race. Daar heb je nummer vier.
Oei! Oei! Die nummer negen vloog bij uit de baan.
Wat is dat reuzespannend! En er komt geen einde aan.

Jaag! Jaag! Jaag! Jaag!
Met je hersens in je maag.
Voort! Voort! Voort!
Reed de koning door de poort.
Listig! Listig! Listig! Listig!
Neem die bocht niet al te kwistig.
Hort! Hort! Hort!
Voor de mooie autosport.

Totdat er iemand aan de finish met een krans omlauwerd wordt.
Het was weer reuzespannend, maar het duurde veel te kort.
AVONTUUR

Ik jammer en ik sidder
Nu mij te binnen schiet
Hoe indertijd een ridder
Zijn veilig slot verliet
Waarschijnlijk kent u dit verhaal nog niet

Hij had een prettig leven
Maar zag als zijn taak
Om tussendoor nog even
Te jagen op een draak
Een veel beoefend ridderlijk vermaak

De meeste draken waren
Inmiddels omgebracht
En om ’t milieu te sparen
Was daar iets op bedacht
De ridder wist dit niet en ging op jacht

Met saâmgeklemde kaken
Bereikte hij alras
Het woongebied der draken
En toen vernam hij pas
Dat dit nu een beschermde diersoort was

Die smart viel nog te dragen
Maar ’t is een droeve zaak
Dat hij die niet mocht jagen
Ten prooi viel aan de wraak
Van een perverse ouderloze draak

Al ben ik niet zo’n drammer
Dit doet mij veel verdriet
Ik sidder en ik jammer
Want ik bedenk subiet
Hoe ’t komt dat men zo weinig ridders ziet
AUBERGINE

De aanblik van La Belle Philippine
Was een der topattracties van de stad
Zij was een twintigjarige blondine
Elle est très fine, elle est divine
Zowel de koopvaardij als de marine
Alsook de brandweerlieden zeiden dat

Het was opwekkender dan cocaïne
Als Philippine voor het venster zat
Gekleed in allerfijnste crêpe de Chine
Of mousseline of levantine
Gelijk een pronkjuweel in een vitrine
Gelijk een jonge prijsbekroonde kat

Zij was een hooggemaakte féminine
De mannen die haar zagen gingen plat
Zij begeerden haar als concubine
Maar Philippine had discipline
Was ongenaakbaar als een capucine
Of als een dichtgevroren sleutelgat

Een oude rijkaard in een limousine
Kwam echter zeer strategisch op haar pad
Hij toonde haar een mooie aubergine
Een aubergine! Een aubergine!
Hij mocht naar binnen voor een aubergine
Een aubergine, die ze daarna at
RIPSPIQUÉ

Uren en urenlang zit ik gebogen
Over mijn rondhouten schrijfkabinet
Urenlang staar ik met brandende ogen
Naar een vergeeld jongedameportret
Rondom mij heen ligt de wereld in ruste
Maanlicht vermengt zich met geur van jasmijn
Zo was de nacht dat voor ’t eerst ik haar kuste
Nimmer zal ik zo gelukkig meer zijn

Zij was gekleed in ripspiqué
In ripspiqué, in ripspiqué
In een japon van ripspiqué
Van bronsgroen ripspiqué

Waar is die hemelse zomer gebleven
Die mij met Elza tezaam heeft gebracht
Steeds weer en steeds weer zolang ik mag leven
Welt uit mijn boezem die bittere klacht
Kon er op aarde een liefde ooit bloeien
Tederder dan tussen Elza en mij
Kon nog iets anders mij lokken, mij boeien
Dan het verpozen met haar aan mijn zij

Zij ging gekleed in ripspiqué
In ripspiqué, in ripspiqué
In een japon van ripspiqué
Van bronsgroen ripspiqué

Toen zonk ik weg in de draaikolk der zinnen
Werd onze reine verknochtheid besmet
Want ik ging Elza te heftig beminnen
Tijdens die nacht van het eerste couplet
Toen zij de bovenste knoop wilde springen
Stiet zij mijn eerloze hand van zich af
Dat was het eind van mijn lusthandelingen
Die zij mij nimmer, ach nimmer, vergaf

Zij bleef gekleed in ripspiqué
In ripspiqué, in ripspiqué
In een japon van ripspiqué
Van bronsgroen ripspiqué
SNOOKER

Er wordt een snookerkampioenschap uitgezonden
En dat is dagelijks te zien op BBC
Dit is een radio, tv-bedrijf in Londen
En snooker brengt, ik zeg het nu maar onomwonden
Mechanica, tezamen met planimetrie
Het resultaat is visuele poëzie

Dit spel voltrekt zich op een groot rechthoekig laken
En daaromheen zijn randen, net als bij biljart
En met biljart heeft dit systeem dan ook te maken
Want met de stootbal tracht men nog een bal te raken
Pas echter op dat u de sporten niet verwart
Want snooker spelen is toch wel een kunst apart

De spelers zijn twee kampioenschapkandidaten
Er is ook altijd een arbiter op de been
En wat ik voorts vooral niet onvermeld mag laten
In alle hoeken van het laken zitten gaten
Op elke lange zijde middenin nog een
En het publiek zit om de hele handel heen

U zult een driehoek zien van vijftien rode ballen
En verder zes onrode, ieder op zijn plek
Dit zijn misschien geen indrukwekkende getallen
Maar al die ballen moeten straks in gaten vallen
Ik deel het nu maar even in kort bestek
En hoop dat ik hiermee uw interesse wek

De eerste bal die men moet raken is een rode
Verdwijnt hij in een gat, dan noemt men hem gepot
Vervolgens heeft men zo’n speciale bal van node
Als die gepot is weer een rode eist de code
En als het potten eens mislukt is dat rot
Daar dan de andere aan de beurt is voor een shot

De zes speciale ballen tellen twee tot zeven
De rode geven daarentegen slechts een punt
Ik kan ook verder heel wat informatie geven
Maar acht of tien coupletten lijkt me overdrijven
Kijk zelf maar als u BBC ontvangen kunt
En u zichzelf nu eens een boeiend schouwspel gunt
OEFENING

Ja, ze hebben wel de mond vol van het Watergateschandaal
Maar de banken zijn nog steeds in handen van het kapitaal
En ze leiden aan belharzia of zoiets in Bangladesh
En ikzelf woon in een volksbuurt en daar hebben ze geen crèche
Onze spelling blijft maar altijd ouderwets en elitair
En wie denkt er aan de ondervoeding van de Rode Khmer
En alsof er niet genoeg ellende is vandaag de dag
Moest ik ook nog meedoen aan de operatie Donderslag

En als je op wilt treden
Tegen het systeem
Dan krijg je moeilijkheden
Dat is het probleem

Ik was bezig met de actie onbegaafden voor Vietnam”
Toen die oproep van de militaire kaste binnenkwam
En daar zat ik met mijn plannen en mijn stencils, enzovoort
Want de NATO had me nodig voor een cursus massamoord
Die bestond dan uit het oversteken van een soort rivier
Net als al mijn medeslaven moest ik eerst naar de foerier
En ik werd in zo’n fascistoïde uniform verpakt
En ik kreeg bewapening waarnaar een tupamaro snakt

Maar als je op wilt treden
Tegen het systeem
Dan krijg je moeilijkheden
Dat is het probleem

Nou, we zaten in zo’n bootje en dat kostte een bedrag
Waar een Turkse vijgenplukker achttien jaar voor zwoegen mag
Er was een complete arts voor als er soms een man verzoop
Weet u dat ze in Bhutan al blij zijn met een kussensloop
En ze hadden de modernste elektronische techniek
Maar de riolering is heel primitief in Mozambique
Toen dan ook de commandant zei dat het prachtig was gegaan
Had ik best iets willen roepen, maar ik heb het niet gedaan

Want als je op wilt treden
Tegen het systeem
Dan krijg je moeilijkheden
Dat is het probleem
HET HART EENER DEERNE

Zij was als kind naar Amsterdam gekomen
Betooverd door de steedsche pronk en pracht
Zij was als kamermeisje aangenomen
In zekere wooning aan de Keizersgracht
Des avonds mocht zij gaarne uren dwalen
Door drukke straten met hun grillen schijn
En in haar onschuld dacht zij menig’ malen
Wat is het heerlijk in de stad te zijn

Want temidden van de zonde
Bleef haar hart oprecht en rein
En in zulk een blijde stonde
Kon zij niet kwaaddenkend zijn

De zoon des huizes was student te Leiden
Na enkele maanden zag zij hem voor het eerst
Zij was aanvallig, proper en bescheiden
Hij was een losbol, wild en onbeheerscht
Hij vond haar eenvoud geenszins te versmaden
En had aldra het argeloos wicht onteerd
Toen de gevolgen aan het daglicht traden
Werd zij meedoogenloos van huis geweerd

Maar ondanks haar groote zonde
Bleef haar hart oprecht en rein
In die smartelijke stonde
Kon zij niet haatdragend zijn.

Zij dwaalde weer door nachtelijke straten
Doch zonder lichten thans of rijken tooi
Het pad der deugd had zij voorgoed verlaten
Zij was verworden tot een lichtekooi
Eens kwam bij haar een man met doffe oogen
Verteerd door drank en liederlijken lust
Het was de student door wien zij was bedrogen
Zij heeft geweend en hem in slaap gekust

Toen zij leefde van de zonde
Bleef haar hart oprecht en rein
En zelfs op haar veile sponde
Kon zij niet hartvochtig zijn

Ook al brandde haar de wonde
Van verderf en zielepijn
Voor de oorzaak harer zonde
Kon zij slechts vol deernis zijn
ONZE NICHT IN DEN HAAG

Onze nicht in Den Haag eet graag pasteitjes
Doch haar echtgenoot Jan houdt van runderlap
Onze nicht eet dus vaak met smaak pasteitjes
En daarom is hij heel erg veel op stap

Ook al komt een huwelijk tot stand
Dan nog moet men niet te veel verwachten
Want de tegenstelling der geslachten
Lokt het echtpaar dikwijls uit de hand

Onze nicht in Den Haag hoort graag Stravinski
Niettemin houdt haar man meer van runderlap
Draait zij laat in de nacht met pracht Stravinski
Wel dan roert hij zijn tong in dronkenschap

De constructie van zo’n tongpapil
Kan harpijen maken van harpisten
Over smaak valt niet te redetwisten
Maar toch zeker over het verschil

Onze nicht in Den Haag werkt graag met vetkrijt
Jan is niet zo’n estheet hij eet runderlap
Maar zijn runderlap rook laatst ook naar vetkrijt
En daarom gaf hij haar zowaar een klap

Bij verschil in stand, geloof of ras
Kan men wrijvingspunten wel vermijden
Maar het smaakverschil is vaak voor beiden
Een fatale adder onder het gras

Dat zij hem nooit verliet mag niet verbazen
Want zij alle twee zijn zeer fijn katholiek
En zij moet haar partij dus blijven blazen
Maar het wordt met dat al geen bal muziek
SCHEEPVAARTBERICHTEN

Een ruige westenwind laveerde langs de haven
De zondagmorgenstraat was leeg en lusteloos
De schepen leken meer op stalen massagraven
Dan op de fraaie platen in de reisbureaus

Cafébezoekers zaten achter grote bellen
In half ontwaakte huizen schreeuwden radio’s
Op de etages van lichtzinnige hotellen
Weerklonk nog hier en daar het gepiep van lits-jumeaux

Terwijl de buurt zich lekker warm had opgesloten
Stond op de keien buiten een verdwaalde roos
Ze keek haar ogen uit op al die grote boten
Ze had die nooit gezien en vond ze grandioos

Waar zij vandaan kwam waren helemaal geen schepen
En al het water was onzichtbaar door het kroos
En mannen die haar diepe hunkering begrepen
Die waren even dun gezaaid als farao’s

In een lokaal met vierendertig kinderzieltjes
Bleek zij als onderwijzeres zo hopeloos
Dat op een dag zij haar leerplichtige schlemieltjes
Abrupt verliet en met een bus de vrijheid koos

De ware schuld aan die kwaadwillige verdwijning
Lag bij de sterk vergeelde dichter Willem Kloos
De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining”
De deining van dat metrum vond ze eindeloos

Ze zag zichzelf in een uitbundig zonnegloren
Met wind omspeelde haren aan de reling staan
Het schip voor statig langs de Azoren
En vele golven golven op de oceaan

Ze werd omstuwd door hooggeplaatste schepelingen
En ook door knappe of beroemde passagiers
Maar zij gedroeg zich heel gewoon in deze kringen
Ze hief haar glas op en dan zei ze lachend: Cheers!”

Maar ’s nachts als honderdduizend sterren naar haar keken
En als de adem van de tropen haar omgaf
Dan kon haar hart van zoete weemoed bijna breken
En ze verlangde naar een eerlijk zeemansgraf

Een ruige westenwind laveerde langs de haven
En langs de wallenkant laveerde een matroos
Terwijl zij zich aan haar visioenen stond te laven
Kwam hij eraan gekoerst, verhit en laveloos

Ze voelde plots twee handen in haar lichaam happen
Ze hoorde domper zeggen: Ga je lekker, doos?”
En toen ze in paniek naar hem begon te trappen
Was hij verbaasd en ook meteen geweldig boos

Men kan van alles in een haven rond zien drijven
Een halve plank, een krant, een pet, een lege doos
En andere dingen, hier niet nader te omschrijven
En nu en dan het lichaam van een meisje loos
CAFÉ CHANTANT

Waar honderden sigaren
De atmosfeer bezwaren
Waar obers bij de pinken
De rekenkunst verminken
Waar dartele komieken
Hun kletsverhaal fabrieken
En waar een nette vrouw
Zich nooit vertonen zou

In het Café Chantant, Café Chantant,
Daar krijgt u bij uw wijntje
Een treintje en refreintje
In het Café Chantant, Café Chantant,
Daar heeft men voor een prik
Den helen avond schik

Waar dames die zich verven
De jongelui verderven
Ofwel met blote kuiten
Onkiese liedjes uiten
Waarbij ze vlijtig spieden
Naar welgestelde lieden
Terwijl het huisorkest
Uw trommelvlies verpest

In het Café Chantant, Café Chantant,
Daar geven vrouwen graag lucht
Aan wuftheid en behaagzucht
In het Café Chantant, Café Chantant,
Is iedereen verzot
Op kunst en zingenot

Waar hoogbejaarde grappen
De aandacht doen verslappen
Doch benen hoog geheven
De aandacht doen herleven
Waar poezele contouren
Het kennersoog ontroeren
Waar het geweten zwijgt
En waar de bloeddruk stijgt

In het Café Chantant, Café Chantant,
Waar vrouwelijke schoonheid
Tot mannelijk vertoon leidt
In het Café Chantant, Café Chantant,
Vergeet men menigmaal
Het nut van de moraal
DE HELDERZIENDE

Zij was geboren in Den Helder
Zij was fatsoenlijk, net en kuis
En van de vliering tot de kelder
Was alles helder bij haar thuis
Zij had twee helderblauwe ogen
Zij lachte met een heldere lach
En hield ook heldere betogen
Geen wonder dat ze helder zag

Ik zie, ik zie wat gij niet ziet
Ik zie wat ligt in uw verschiet
Een erfenis, een donkere man
Ik weet er alles van

Zij had als knappe helderziende
Een uitgebreide klantenkring
Van danseres tot bankbediende
Van sloof tot roeivereniging
En zij voorspelde naar believen
Haar voorgespelde was altijd prijs
Voor postbestellers zag ze brieven
Voor zeelui zag ze meest een reis

Ik zie, ik zie wat gij niet ziet
Ik zie wat ligt in uw verschiet
Een erfenis, een donkere man
Ik weet er alles van

Zij wist waarvoor zij zich moest wachten
Het water zou haar nootlot zijn
Dus meed ze meren, zee en grachten
En bad de brandweer en de Rijn
En desondanks het zal u spijten
Verraste eenmaal haar de dood
Doordat zij haastig moest ontbijten
En stikte in een waterbrood

Ik zie, ik zie wat gij niet ziet
Ik zie wat ligt in uw verschiet
Een erfenis, een donkere man
Ik weet er alles van

Zij zag, zij zag wat niemand zag
Maar ach, voor haar kwam toch een dag
Dat zij het niet precies kon zien
Heeft u dat ook misschien?